Filteren

Wis alle filters

Op onderwerp

Op medium

Afbeelding De Groene

‘We worden hier zo gelukkig van’

Toen de coronacrisis uitbrak ging Carleen de Lange zomaar wat boodschappen doen voor ouderen in haar Amsterdamse arbeiderswijk Betondorp. Ze schrok zo van de verborgen armoede dat uit haar actie structurele armoedehulp ontstond.

 

Irene van der Linde 25 november 2020

 

Vrijdag

‘Wat wil je, jam?’

‘Heb je zeep voor onder de douche?’

‘Shampoo ook?’

‘Dat gebruik ik niet.’

‘Cornedbeef, knakworstjes?’

‘Beide graag.’

‘Koffie?’

‘Heb ik nog.’

‘Wat paprika’s en uien?’

Carleen de Lange (61) doet een greep in de kist met paprika’s en stopt er een paar in de grote Aldi-boodschappentas van Jerry (53). Ze buigt zich voorover om de spullen netjes recht te leggen. Elke vrijdag van 17.00 tot 20.00 uur is de Weggeefwinkel open. Dan halen 22 mensen die zijn aangesloten bij de stichting Veerkrachtig Betondorp voor zichzelf en hun gezinnen boodschappen voor de hele week. Sinds kort heeft de stichting een eigen lokaal bij Al Maarif, een ontmoetingscentrum voor Nederlands-Marokkaanse gezinnen. Houten kasten vormen de winkelschappen met tal van houdbare producten zoals suiker, rijst, pindakaas, blikken olijven, soep, bonen, maar ook tandpasta, wc-papier en schoonmaakmiddelen.

‘Heb je ook Maggi-blokjes?’ vraagt Jerry. ‘Dat heb ik van mijn moeder geleerd, daar doe ik alles mee. Dat doen veel Surinamers.’

‘Nog wat koekjes?’ vraagt De Lange als Jerry met een overvolle tas naar de uitgang loopt. ‘Lekker’, antwoordt Jerry. De Lange doet wat ingepakte koekjes, gekregen van de horeca, in de tas.

Carleen de Lange woont het grootste deel van haar leven in het Amsterdamse Betondorp, het dorp van Johan Cruijff en Gerard Reve. ‘Over deze hele buurt, de huizen, tuinen, daken, straten, pleintjes, heeft altijd voor mij een sfeer gehangen van onpeilbaar diepe, onontkoombare weemoed’, zei Reve ooit over zijn geboortedorp. De Lange heeft het nooit zo ervaren. Haar beide ouders zijn hier opgegroeid en haar grootouders woonden in het dorp. Ze heeft er leren kruipen, zegt ze altijd. Toen het huis naast dat van haar oma vrijkwam, zei die: waarom ga je daar niet wonen? Het was 1981, ze was 21. Sindsdien is ze niet meer weggegaan. Na haar huwelijk is ze met haar man verhuisd naar de hoek, met een grote tuin. Daar kregen ze hun twee kinderen. Nu komen de kleinkinderen er weer regelmatig.

Het oude pvda-dorp telt een groot aantal goedkope, kleine huurwoningen waar van oudsher veel kwetsbare mensen wonen. ‘Door een stapeling van eigen bijdragen zoals zorgkosten, woningaanpassingen, thuiszorg en huurverhoging’ is er volgens Stadsdeel Oost sprake van armoede onder een grote groep bewoners. Toch is dit niet direct zichtbaar. ‘Mensen houden de schijn hoog’, zegt De Lange. ‘Ze schamen zich voor hun armoede.’ Ook zelf werd ze zich er pas van bewust toen ze afgelopen maart samen met haar man Paul in haar buurt een simpele boodschappendienst voor ouderen begon. Ze ging op zoek naar mensen die hulp nodig hadden of eenzaam waren. Ze drukte flyers en maakte een Facebook-groep aan. Coronahulp Betondorp was geboren. Al snel had ze veertig vrijwilligers, van wie nu nog een vast team van dertien over is.

Hierdoor kwam Carleen de Lange veel bij mensen thuis. Ze schrok van wat ze aantrof. ‘Er waren mensen die geen kasten hadden, die de boodschappen niet konden betalen, ongezond aten. Ik begreep niet hoe dat kon in Nederland. Soms leefden ze van twintig euro per week, op boterhammen en pindakaas.’ Ook al woonde ze hier zelf al veertig jaar, deze armoede had ze nog nooit gezien. Al snel breidde ze de hulp uit. Ze begon met een maaltijdservice en van het een kwam het ander. Steeds meer mensen haakten aan om te helpen. Ze kregen giften van het Rode Kruis, Blije Buren, Stichting Prachtvrouwen, de Ouderenraad Amsterdam. Ook Soep langs de Lijn, Hinke in de Keuken, buurthuis Archipel en café De Avonden boden maaltijden aan.

‘Melk?’ Leah (24) is het lokaal binnengekomen. De Lange pakt de lege boodschappentas en begint die te vullen. Ze kent ondertussen ieders speciale wensen. Soms stopt ze dan even wat extra’s in de tas.

‘Vandaag hebben we ook hummus, drie soorten.’

‘Graag.’

‘Ik heb in de diepvries ook kip.’

‘Er was een man die het leven niet meer zag zitten’, vertelt De Lange als Leah weer weg is. ‘Wij waren net op tijd. Hij had een hond die voor hem als zijn kindje was, daar leefde hij voor. Maar de hond was ziek. Toen hebben we alle dierenartsen in de buurt gebeld. Een van hen wilde die hond wel tegen kostprijs behandelen. Dat hebben wij toen betaald.’ Over een andere man hoorde ze dat hij al drie dagen niet had gegeten. ‘Ik ben boodschappen met hem gaan doen, heb de vriezer even helemaal vol gelegd zodat hij een basis had.’ En ze sprak een moeder met twee kinderen die elke dag twintig liter water uit het waterpunt op de Brink haalt. ‘Om te drinken, te koken, af te wassen, schoon te maken. Zo bespaart ze watergeld.’

 

Maandag

Carleen de Lange loopt ’s middags tegen vieren de keuken van Paul en Liesbeth Witte in de Amsterdamse Rivierenbuurt binnen om haar maaltijden voor die avond te halen. De stemming is uitgelaten. Samen met de overburen Patrick en Monique Mossel vullen ze geroutineerd 22 bakken met bruine bonen en rijst. Op het aanrecht een uitgebreid plateau Franse kaasjes en aangebroken flessen wijn. ‘Het is hier altijd vrolijk’, lacht De Lange terwijl ze de volle etensdozen in een tas doet.

‘We maken er elke week een feest van’, roept Paul Witte. ‘Glaasje erbij…’ De Witte Mossels noemen de vier zich. Paul heeft een aannemersbedrijf, het gaat hem goed. Toen corona kwam, wilde hij wat doen. Hij houdt van koken, zijn buurman Patrick, die brandweerman is, ook. Dus hij zei tegen Carleen: kunnen we helpen door te koken? In het begin financierde hij het zelf vanuit zijn bedrijf. Nu krijgen ze de ‘materialen’ vergoed uit de stichting. Maar als ze wat tekortkomen, leggen ze het zelf bij.

‘Zoveel mensen hebben het moeilijk’, zegt Paul later in de woonkamer nadat ze ook de linzensoep in 22 bakken hebben gedaan. Alle vier zitten voldaan rondom de eettafel. Het zit er voor deze week weer op. Twee maaltijden maken ze voor Betondorp, elke week, al acht maanden lang. Ze beginnen vaak zondag al. De beide vrouwen snijden en doen de boodschappen. De mannen koken, zo’n 66 maaltijden per keer: twee keer 22 maaltijden voor Betondorp en twee keer tien voor mensen hier in de buurt. Die brengen ze zelf rond. ‘In de Rivierenbuurt is minder armoede, maar wel veel eenzaamheid’, zegt Paul. Dat ontdekten ze ook pas door corona.

‘Zullen we voor volgende week paella maken?’ vraagt Paul aan Carleen. ‘Dat is een keer wat anders. Het is veel werk, maar als iedereen het wil, doen we het.’ Voorlopig gaan ze er niet mee stoppen. ‘We krijgen er zoveel voor terug’, zegt Paul.

‘Dankbaarheid’, zegt Monique. ‘Liefde’, knikt Liesbeth. ‘En plezier’, vult Patrick aan. ‘Je wordt hier zo gelukkig van.’

De Lange rijdt met de nog warme maaltijden terug naar Betondorp en stalt de bakken uit op de tafel. Ingrid Piet (50), haar vaste vrijwilliger, staat klaar om te helpen. Ook Piet is dagelijks voor de stichting in touw, zo gaat ze met vaste regelmaat samen met een jonge vrouw naar het ziekenhuis omdat die voor haar behandeling niet naar de dokter durfde. Om de vijf minuten loopt iemand het lokaal binnen. Vanwege corona is het schema strak. Aan iedereen die langskomt vragen ze of die van paella houdt. ‘Paella? Wat is dat?’ vraagt Leah verlegen. Ze wil het graag proberen. De Lange noteert: ‘21 ja, 1 nee.’

‘Er is geen brood vandaag’, zegt Piet tegen de volgende die binnenkomt. ‘De bakker had niets meer. Wil je in plaats daarvan crackers?’ De man schudt zijn hoofd.

Twintig jaar geleden is De Lange afgekeurd vanwege een chronische ziekte en een burn-out. Alles kwam in die tijd bij elkaar, het complexe verleden met haar familie, de werkdruk. Ze kon niets meer en moest haar baan als dovenonderwijzer opzeggen. ‘Ik zat twintig jaar op de bank, achter mijn computer.’ Sinds ze de coronahulp begon, is haar leven radicaal veranderd. Met wat ze nu doet, kan ze haar persoonlijke ervaringen inzetten. ‘Ik kan goed luisteren, voel dingen aan.’

Deze afgelopen maanden komen er steeds dingen op haar af. Zo ging het vanaf het begin. Bij de Ekodis mochten ze buiten staan om klanten wat extra boodschappen te vragen. Na twee dagen hadden ze acht tassen met biologische producten. Een vriend bracht ikea-stellingen die dienden als schappen. Via het Rode Kruis doneerde Support Your Locals groenten en fruit. Firma De Leeuw uit de Rivierenbuurt gaf een paar dozijn van hun beroemde tafelzuren. Bakkerij De Lekkernij op de Brink geeft elke dag het overgebleven brood. Een vrouw kwam 25 euro brengen, dat had ze die maand over van haar aow. ‘En gisteren belde opeens iemand die twee gezinnen wil sponsoren. Het is zo bijzonder.’

Eigenlijk begint het nu pas echt. De gemeente subsidieert De Lange’s initiatief en begin augustus heeft ze de stichting Veerkrachtig Betondorp opgericht. Coronahulp is armoedehulp geworden. Sinds twee weken heeft ze deze eigen ruimte tot haar beschikking. Nu gaat ze uitbouwen: er komen steviger stellingkasten, een hoge vriezer en twee hoge koelkasten. Ze gaat hier intakegesprekken doen en samen met Al Maarif wil ze een kinderboekenbibliotheek opzetten. ‘De gordijnen heb ik al opgehangen’, zegt ze lachend. Ze wijst naar de hoge ramen. ‘Dat was zo kaal zonder.’

 

Woensdag

‘Het ging niet zo goed met mij’, zegt Jerry. ‘Ik zat tegen een depressie aan.’ Hij zit in zijn kleine, overvolle woonkamer. Op de stoel naast hem zit een grote Surinaamse pop. Ook op kastjes en op de bank zitten poppen. De meeste heeft hij net geërfd van zijn moeder, maar ook zelf spaarde hij ze al. ‘Alles kwam tegelijk’, gaat hij verder. ‘Vlak nadat mijn moeder was gestorven kwam corona. Ik ben doodsbenauwd. Bang dat ik doodga. Ik heb hiv en suikerziekte en zit in de risicogroep. Ik doe nog wel dagelijks de ronde op mijn scootmobiel naar het park en voer de eendjes, maar vaak heb ik geen energie.’

Hij heeft een uitkering, zit in de schuldhulpverlening en heeft een budgetbeheerder. Hij leeft van vijftig euro per week. ‘Daar houd ik niets van over, zodra er iets is, als mijn scootmobiel gerepareerd moet worden, of mijn kat naar de dierenarts moet, gaat het mis.’ Het is niet alleen corona, benadrukt hij nadat hij een sigaret heeft opgestoken. ‘Er is al jaren bezuinigd op ons chronisch zieken, de uitkering omlaag, het eigen risico omhoog, minder steun voor hulpmiddelen. Elk jaar iets minder. En elk jaar is het leven duurder.’ Hij raakte in paniek. ‘Ik heb de antwoorden niet en heb de oplossingen niet. Ik had vaak niet te eten, mijn suiker zat hoog. Ze hebben me gevonden via mijn overbuurvrouw. Die zag dat ik heel erg was afgevallen. De hulp van Carleen is de enige reden dat ik nog besta.’

Jerry kijkt naar de klok boven de televisie: 17.30 uur. Het is tijd om zijn maaltijden voor vandaag en morgen op te halen. Hij stapt op zijn scootmobiel die in het voortuintje staat en rijdt de hoek om. Woensdag wordt gekookt door Soep langs de Lijn en buurthuis Archipel. Op vrijdag is de Weggeefwinkel open voor boodschappen en ook dan staat er een maaltijd klaar. Alleen in het weekend moeten de mensen zelf koken.

In het lokaal van Veerkrachtig Betondorp deelt Carleen de Lange samen met Ingrid Piet de maaltijden uit. ‘Ze staan allemaal in de overlevingsstand’, zegt De Lange als Jerry weer weg is. ‘Het eerste wat nodig is, is voedsel. Dat haalt de stress weg, geeft energie. Het is vaak een neerwaartse spiraal: mensen raken sociaal geïsoleerd, halen de post niet meer uit de envelop, boetes lopen op, schaamte, nog meer boetes. Dan komt de huurverhoging…’

Veerkrachtig Betondorp komt bij mensen die de gemeente vaak niet bereikt. ‘We zijn laagdrempelig en vragen niet eerst om een heel protocol door te lopen, deze mensen hebben al vaak hun neus gestoten bij hulp’, vertelt De Lange. ‘Officiële instanties komen nooit langs, zien de situatie niet. Wij zijn er gewoon voor ze. Praktische hulp werkt. Hun eigenwaarde stijgt, je wordt uit de put getrokken, staat er niet meer zo alleen voor. Helpen begint bij de basis. We hebben bij iemand die leefde op een kale vloer vloerbedekking gelegd, kasten neergezet, een koelkast, keukengerei gebracht. Sindsdien is hij helemaal opgebloeid. Hij knapt nu zijn tuin op en helpt anderen.’

De tweede stap is volgens De Lange: kijken wat er aan de hand is. ‘Er zijn drie mensen die tegen me hebben gezegd dat ze zonder mijn hulp niet meer hadden geleefd.’ Dat raakte haar, het raakt haar nu ze het vertelt opnieuw.

‘De bloedwaardes van mijn moeder waren heel slecht’, zegt Leah, die in de gang wacht tot ze aan de beurt is. ‘Nu, na een paar maanden beter eten, heeft ze geen suiker meer en zijn de waardes gestegen.’ Leah woont bij haar moeder, samen met haar negentienjarige broer met wie ze een slaapkamer deelt. Ze leven al een jaar of tien in armoede. ‘We hebben als kinderen geen hoge nood gehad, mijn moeder zorgde altijd dat we niet te weinig te eten hadden. Maar zij deed zichzelf wel vaak tekort. Zij schaamt zich voor haar armoede, ik vind dat je je niet hoeft te schamen. Het is zoals het is.’

Haar vader had een vaste baan, maar veertien jaar geleden zijn haar ouders gescheiden. ‘Ik was tien. Hij heeft nooit meer iets voor ons betaald. Wij zijn sindsdien een drie-eenheid. Mijn moeder kreeg een uitkering, we leefden van de buffers die ze nog had. We redden het altijd wel. Maar op een gegeven moment red je het niet meer. De kinderbijslag stopte, evenals een paar toeslagen. Wij hebben gelukkig een goede band met elkaar, maar geld zorgt voor spanningen in onszelf, zeker aan het einde van de maand. We hebben ook nog vijf katten en een hond. Die heb ik al heel lang, ze waren er al in goede tijden, nu ook in slechte tijden.’

Leah loopt naar binnen om de maaltijden voor hun drieën op te halen. Als ze met de volle tassen naar buiten komt, zegt ze: ‘Ik hoop heel snel mijn salaris met mijn moeder te delen. Ik werk nu nog als vrijwilliger bij een kringloopwinkel, maar ze zijn bezig mij in dienst te nemen. Mijn broertje brengt al iets van geld in.’ Ze pakt de tassen op. ‘Dat iemand naar mijn moeder omkijkt, daar ben ik zo dankbaar voor. We kunnen altijd bij Carleen aankloppen.’

In de winkel past een van de klanten een tweedehandswinterjas. ‘Hij zit perfect’, zegt hij blij tegen Ingrid Piet en laat de gaten in zijn oude zien.

 

Donderdag

‘Ik heb biologische wortelen, pak maar. En appels.’ Regina Mac-Nack wijst op de dozen in haar volgestapelde kantoor. De Lange vult samen met haar man de tassen. Elke week kan ze bij voedselbank Hoop voor Morgen in Amsterdam-Zuidoost een nieuwe voorraad voor in haar Weggeefwinkel halen. Mac-Nack (59) – aan de muur boven haar bureau hangt een ingelijste oorkonde van de Black Achievement Award, een van haar vele onderscheidingen – runt de particuliere voedselbank al 25 jaar en steunt negentienhonderd gezinnen. ‘Eerst helpen, dan praten, dat is mijn manier’, zegt Mac-Nack terwijl ze zakken andijvie voor De Lange uit een kist pakt.

De Lange kwam toen ze ging googlen op ‘armoede’ vanzelf bij Regina Mac-Nack uit. Ze nam contact op en vroeg haar of ze kon helpen. Nu mag ze wekelijks langskomen om voor haar mensen eten op te halen. ‘Wij hebben hier genoeg, ik ben blij dat ik ook Betondorp kan helpen’, zegt Mac-Nack. ‘Mis je nog iets?’

‘We hebben niet veel koffie meer…’ antwoordt De Lange.

‘Oké, ik zal zo even 22 pakken filterkoffie halen.’

‘Suiker?’

‘Heb ik nog.’

Veerkrachtig Betondorp is een kruimeltje vergeleken bij Hoop voor Morgen, maar De Lange ziet dat het ook bij haar snel groeit. Ze gaat Mac-Nack binnenkort om advies vragen hoe zij met vrijwilligers omgaat. ‘Ik loop op mijn tenen, alles rust op mijn schouders. Ik heb meer vrijwilligers nodig, een steviger netwerk.’

 

Vrijdag

‘Ik heb appels voor je’, zegt Carleen tegen Leah die net is binnengekomen.

‘O lekker, fruit.’

‘En wat gaan we eten? We hebben biologische worteltjes…’

‘Andijvie, pompoen…?’

‘Geen pompoen.’

‘Wil je appeltaart maken dit weekend? Ik heb zelfrijzend bakmeel, boter, eieren…’

‘Appeltaart! Dat gaan we doen.’

De Lange en haar team krijgen veel terug voor dit werk. Altijd blije gezichten, dankbaarheid. ‘Ik heb zoveel tegenwerking gehad, altijd moeite moeten doen om ergens te komen. Nu gaat het de andere kant op. Dat neem ik mee. Ik heb gezien dat mensen fysiek aansterken, ze komen eerder om met elkaar te praten, leggen contact…’

‘Ha Jerry, wat wil je? Ik heb appels…’

‘Ja, kan wel wat gebruiken.’

‘Ik heb ook yoghurt.’

‘Ja, heel graag. Ik ben blij met alles.’

 

Maandag

‘15.20 uur: beginnen met opscheppen. Check!’ roept Liesbeth Witte en ze zet er Spaanse muziek bij op. In de binnentuin staat een grote pan met paella op het vuur van de buitenkeuken. ‘We checken al het hele weekend of we wel op schema zitten’, grinnikt haar man Paul terwijl hij de 22 bakken voor Betondorp begint te vullen met paella. Buurman Patrick Mossel houdt met zijn ene hand de pan vast, in zijn andere heeft hij een cocktail. De Witte Mossels zijn al drie dagen aan het koken. Het was een strakke planning, tussendoor moesten ze ook nog hutspot maken voor de tweede dag. Maar het is gelukt. ‘We koken zonder stress’, zegt Patrick.

Terwijl de vrouwen in de binnentuin dansen op de salsa en de mannen nog een cocktail maken, pakt Carleen de Lange de maaltijden in een grote tas en vertrekt weer naar haar lokaal in Betondorp. Over een half uur komen haar klanten om de paella op te halen. En een bak hutspot voor dinsdag.

door Irene van der Linde


Onze
partners

met dank aan: Gemeente Amsterdam West