Filteren

Wis alle filters

Op onderwerp

Op medium

tekst

Rock ’n roll in coronatijden

De oude vriend weigerde me binnen te laten. Hij hing uit zijn raam op de Oude Schans. Daar op dat bankje gaan we zitten,’ riep hij terwijl hij wees.

‘Heb je iets te eten?’ vroeg ik.

Maar hij had zijn raam al dichtgeschoven. Bang voor mijn vermeende coronaverleden zeker. Ach, ik ken mijn pappenheimers. Bovendien had ik een fles cola zero gekocht, en een fles jenever bij de Gall en Gall. Het was vrijdagavond. Ik zou het er eens flink van nemen.

Er zaten drie kantoormeisjes op het bankje die opstonden toen ik aan kwam lopen. ‘Gaan jullie uit?’ riep ik ze na terwijl ze wegliepen. Een slechte grap, ik wist het, ik kon dan ook niet rekenen op enige reactie. Maar dat me maakte niets uit, want ik was net in een homestudio geweest van een bevriende muzikant. Ik had het stuk ‘Sound of Silence’ van Simon & Garfunkel ingezongen. Acht takes. En ik had geen enkele keer het gevoel gehad dat ik ook maar even de juiste snaar geraakt had. Voor de crisis had ik er min of meer in berust en mezelf tijdens optredens bewust en spottend B artiest genoemd. Ik had er voor het eerst in mijn leven vrede mee gehad, niet meer dan een uitgelopen hobby was mijn zingen. De druk was weg, en ik wist dat ik een feestje kon bouwen. Dat was ook wat waard. Verder was elke goed geplaatste noot meegenomen. Het was er misschien zelfs beter op geworden. Maar nu veroordeeld tot een home studio kwam de oude stress weer terug. Waar was ik godsnaam aan begonnen?

Inmiddels was mijn maat met een paar flesjes bier en glazen, en een bak pel pinda’s, op anderhalve meter aangeschoven. We pelden de pinda’s en gooiden de hulsjes op de grond. Er was niemand in onze buurt, behalve een stel op het dek van hun woonboot schuin voor ons dat zat te zoenen. ‘Hé, wat moet dat!’ bralde mijn maat die ook wel zin had in een verzetje.

Lachende gezichten, gespeelde schaamte van het stel.

We namen de week door. ‘Een schande dat ze bij de NPO niet meer ingaan op het ontstaan van het virus. Er zijn toch duidelijke aanwijzingen dat die WHO zo corrupt is als wat,’ zei mijn vriend.

‘En waarom krijgen wij elke dag op het journaal die mortaliteit cijfers te zien, en niet de oversterfte,’ voegde ik toe. ‘Dan pas krijg je een reëel beeld, dan pas kun je zien wat het verschil is – zo’n zesduizend doden meer dan normaal, zei ik, ‘tegen vierduizend doden op dit moment in het journaal.’

‘Er zijn dus ruim dertig procent meer Corona doden dan wij weten,’ zei mijn maat, ‘laat staan besmettingen.’

‘In andere statistieken gaat het zelfs over vijftig procent.’

Boven ons wolken van schapenvacht, de zon stak er flauw doorheen. Toch rilde ik. Ik besefte dat doden niet meer dan abstracte cijfers waren geworden.

Op dat moment hoorden we een stem vanachter uit een keel: ‘Of jullie ruimen alles op, of wegwezen hier!’

Achter ons stond een man in een rode lamswallen trui, een strakke broek, en instappers op blote voeten. Ik schatte de man van mijn leeftijd.

‘Oh, geen probleem,’ reageerde mijn maat koel, ‘we dachten, het is een natuurproduct, maar we ruimen het zo wel op.’

‘Als je dat maar doet!’ blafte de man.

Ik schonk mezelf nog wat in, wilde me er niet mee bemoeien, maar mijn maat veegde wat pinda’s bij elkaar en stapte op. Hij vond het wel genoeg geweest, zei hij.

Ik bleef zitten. Staarde in het niets over de lege gracht. Toen ik mijn glas leeg had gedronken kreeg ik via een app mijn studio-opname van die middag binnen.

Ik zette mijn koptelefoon op en luisterde. En nog een keer. En nog een keer. Als Karel Appel dacht ik: je moet je werk afkijken tot het goed is en er daarna nooit meer naar omzien, had hij ooit gezegd. In mijn geval ‘luisteren’ tot het af is. Ik speelde het nummer wel tien keer af en stuurde het door naar een paar vrienden – ook naar de vriend die net was opgestapt.

Geen reactie.

De zon verdween en de wind trok aan, ik schonk mezelf weer in. Voor me de witte Montelbaanstoren, gehuld in donkere wolken. Mijn nummer werd er niet beter van. Weer spoelde ik terug: ‘And a virus softly creeping, left it seeds while we were sleeping…’ Mijn eigen tekst. Flauw, oordeelde ik.

Naast me op het bankje begonnen meeuwen neer te strijken, pikten van de pinda’s. Weer spoelde ik terug. Ik hoorde nu dat de bevriende muzikant flink aan de knoppen had gedraaid om mijn stem zo goed mogelijk te laten uitkomen. Toch miste ik iets. Hoe kan ik er vredesnaam meer gevoel in krijgen? dacht ik. Mijn gedachten gingen met me op de loop. Zijn alle muzikanten nu hobbyisten? Allemaal macrameërs die over love en peace zingen? Net als ik? Straks moest ik weer tennisles gaan geven met die kapotte rug. Ik dacht aan mijn Zondagstuk van vorige week waarin ik pleitte voor het openen van terrassen. Ik vroeg me nu af of dat wijsheid was en ik het niet moest aanpassen; was het niet beter eerst helemaal naar nul te gaan met dat virus?

Ineens stond mijn maat voor me met een draagbare geluidsdrager. ‘Hé, je zit er nog!’ riep hij.

‘Ja,’ antwoordde ik. ‘Ik luister naar mijn lied tot het goed is.’

‘Dan kan je lang blijven zitten,’ lachte hij.

‘Desnoods tot diep in de nacht,’ pareerde ik en wees op mijn fles jenever.

Mijn maat – toch de slechtste niet – draaide aan een paar knoppen en startte mijn ballad. ‘Hello darkness my old friend…’ Mijn stem galmde zachtjes over de gracht. Goh, dit klonk niet slecht, vond ik ineens. En daar was de man in de lamswollen trui weer. ‘Uit dat ding godverdomme!’, vloekte hij vanuit zijn raam.

En toen ontplofte ik. ‘Kom jij ‘s gauw naar beneden!’ riep ik met opgeblazen stem.

‘Oh, wacht even, u bedreigt mij! – ik bel de nu de politie!’, riep hij.

‘Ik vraag alleen of je naar beneden komt!’

Mijn maat vertrok stante pede met zijn soundbox – mijn ballad stierf zachtjes weg over de gracht. ‘Within the sououound… of silence…’

De lamswollen trui kwam beneden en ging vlak voor me staan. ‘U noemt mij een kakker!’ blies hij in mijn gezicht.

‘Zou best kunnen,’ reageerde ik, ‘ben je daar erg van overstuur?’

‘Ik ben intensivist hoor!’, antwoordde de man alsof dat zijn gedrag moest rechtvaardigen. Intensivist, het magische woord van de laatste weken dat hem moest vrijpleiten van zijn benepen gedrag? Ik geloofde er weinig van, maar zeker weten deed ik het niet. ‘Dan weet je in ieder geval dat je afstand moet houden,’ verdedigde ik terwijl ik iets naar achter stapte.

Op dat moment kwam de de politie aanrijden.

‘Deze meneer zorgt voor overlast,’ zei de trui, ‘en hij bedreigt mij.’ De man liep rood aan en stotterde. ‘Ik kom uit Amerika,’ vervolgde hij, ‘en daar vegen wij onze stoep schoon.’

‘Dat is dan jammer voor je,’ zei ik. ‘In dit land is de stoep van iedereen. En in deze tijd is het een beetje geven en nemen,’ voegde ik eraan toe, ‘je bent nogal uptight.’

De politieagenten bleven in hun auto zitten en haalden hun schouders op. Ik bedankte hen en bood mijn excuus aan omdat zij hadden moeten uitrukken. Ze reden door.

Tegen de lamswollen trui zei ik dat we elkaar onder andere omstandigheden nog ‘s moesten spreken, ik gaf hem spontaan een elleboog.

De man stond perplex en gaf een elleboog terug. Het leek buiten hemzelf om te gaan.

Daarna raapte ik nog een paar pinda’s bij elkaar, zette mijn koptelefoon op en stapte op mijn fiets. Ik hoorde mezelf zingen: ‘People talking without speaking/People hearing without listening’. Niet slecht voor een hobbyist, dacht ik.

Ik schrijf elke week een Zondagstuk op Facebook. Dit is er één.

door Patrick Verheij


Onze
partners

met dank aan: Gemeente Amsterdam West