Filteren

Wis alle filters

Op onderwerp

Op medium

tekst

De bank en de tribune

Door corona barst deze stad uit zijn voegen met nummers 12. En er is ook nog een andere categorie, een buitencategorie.

Het verhaal De nummer 12 van de Italiaanse schrijver Sandro Veronesi begint met een bladzijde ltaliaanse namen, als een gedicht. Het zijn geen coronaslachtoffers, maar ze zwijgen wel. We hebben het hier over een slag van buitengewone geduldbeoefenaars. Het zijn zij die niet spelen, nooit spelen. Het zijn de tweede keepers. Die met de club een contract hebben afgesloten gebaseerd op de zekerheid dat ze niet spelen. De nummer 12 is de perfecte sportman die persoonlijke ambitie opoffert voor teamspirit. Hij weet dat hij zijn rol zou kunnen spelen, dat hij het waarschijnlijk goed zou doen, maar kent zijn plaats. Die is op de bank. Waar hij voor het team als Einzelgänger de wedstrijd, de echte wereld, van afstand beschouwd.

Als je geen vitale functie hebt, ken je je plaats, je bent welwillend en je doet mee, maar ook weer niet. Je bent een nummer 12. Aspecten uit de sport kunnen zo, misschien, een afspiegeling zijn van de maatschappij. Het Amsterdam Museum vraagt “beschouwingen en andere boodschappen gerelateerd aan corona en deze historische periode van zelfisolatie”. De vraag is daarbij overigens hoe “historisch” het nummer 12 zijn ooit wordt. De vraag is namelijk of het nummer 12 zijn te herleiden valt tot iets structureels in de geschiedenis, iets dat kort duurt en telkens terug keert of simpelweg een gebeurtenis is. Dit zijn de drie tijdlagen waarop de Franse historicus Fernand Braudel het historisch zijn van dingen analyseerde.

De nummer 12 met zijn teamgeest in eenzaamheid kent een spiegelbeeld. Een bureau heeft onderzoek gedaan naar de beleving van de coronacrisis.  Ze komen op twee miljoen coronablockers. Die sluiten zich af van de ontwikkelingen rond corona.

We duiden dit fenomeen aan de hand van Amsterdamse voetbalgeschiedenis. Mijn tiende verjaardag vierde ik op 27 maart 1967 met mijn vriendjes bij DWS-Telstar. Bedenk je even: DWS speelde in het Olympisch Stadion en was drie jaar daarvoor landskampioen van een eredivisie waaruit Ajax een jaar later net niet degradeerde. We vormden met zijn zessen in mijn herinnering toch bijna een kwart van de bezoekers in een stadion dat toen goed was voor 60.000 mensen. De wedstrijd werd in feite voor ons gespeeld. Je wordt maar één keer tien.

Het hoosde. Het was een soort tropenregen waarbij je al na een minuut tot je onderbroek doorweekt bent. We waren bij wijze van uitzondering, ik was tenslotte jarig, gaan zitten en nog overdekt ook. In de rust werd het resterende deel van het publiek op de onoverdekte tribunes beloond voor hun olympische uithoudingsvermogen en met een vriendelijke geste van de bevoegde autoriteiten op de Marathontribune uitgenodigd.

Eén man bleef. Die zit voor de rest van mijn leven in mijn geheugen. In zijn ééntje ineengedoken twintig meter onder het toen gele scorebord van het Olympisch Stadion onderging hij eenzaam de aanhoudende hoosbui op een tribune bestemd voor duizenden. De koppigste tribune ooit. Hij juichte niet bij het enige doelpunt van de wedstrijd voor DWS (van Rob Rensenbrink). Hij juichte waarschijnlijk nooit. Deze man is geen nummer 12 die zijn plaats kent, geen teamplayer. Hij heeft nergens wat mee te maken, laat alles over zich heen komen en bepaalt zelf wel waar hij is. Die kom je overal tegen in deze stad.

 

In het radioprogramma NH Sportcafé van Leo Driessen (met Rinus Israel, Jan Jongbloed en Gerard van der Lem) heb ik rubriekje met korte sportverhalen (ik schrijf onder meer voor Hard Gras). Dit verhaal is gebaseerd op twee verhalen die ik, naar aanleiding van de coronacrisis, op de radio heb verteld.

door Erwin van de Pol


Onze
partners