Filteren

Wis alle filters

Op onderwerp

Op medium

tekst

Coronadagen

Liefde in tijden van Corona
Marguerite Berreklouw

Ze zitten op een bakje in de Artsenijhof van het Beatrixpark in Amsterdam en ik loop langs. Twee welopgevoede, goodlooking jonge mensen. Beiden met de benen over elkaar geslagen, maar met de bovenlichamen naar elkaar toegewend. Zij houdt haar hoofd schuin en kijkt schalks verlangend naar hem. Ik voel de hormonen gieren, maar ja, die anderhalve meter. Een marathon lijkt me voor even een gemakkelijker afstand om te overbruggen. Of kun je de voorgeschreven sociale distantie ook gebruiken om een geraffineerd spelletje aantrekken en afstoten mee te spelen? En van wie gaat dat dan uit? Ik vermoed van hem, hij is jong, aantrekkelijk en goed opgeleid, vast. De wereld ligt aan zijn voeten en hij heeft volop keuze. Het leven is een visvijver vol met de meest beminnelijke wezens. Waarom zo gauw al een keuze gemaakt? Zij wil dolgraag de honderd en vijftig centimeter slechten, maar kan dat wel? Riskeert ze daarmee niet haar leven, hun leven? Of is het precies omgekeerd en gebruikt ze de afstand om eerst eens de kat uit de boom te kijken, om eens goed te onderzoeken wat voor een vlees ze in de kuip heeft? Nee, daarvoor vinden ze elkaar te lief. Maar als een van beiden in de richting van de ander beweegt, dan geeft diegene zich enorm bloot. Piek je te vroeg, dan is de vogel gevlogen. Daarom zitten ze te wachten tot de ander het initiatief neemt. Ze zijn allebei verliefd, maar te gelijkertijd onzeker en bang. Vandaar die enorme spanning, die ik voel. In normale omstandigheden, dat tegenwoordig het oude normaal heet, zouden ze tegelijkertijd de vingers ineen vlechten en dan langzaam maar zeker naar elkaar toeschuiven. In de wereld van de intelligente lock down, kan dat het overdragen van een vrachtvol visrussen betekenen en een hele hoop ellende.

Ik heb met dit stel te doen. Ondertussen ben ik al fantaserend bijna bij de uitgang van het park. Ik heb enorme veel zin om terug te lopen om tegen hen te zeggen: to hell with Corona. Leve de liefde!

 

In tijden van Corona.
Marguerite Berreklouw

Week 13.

Gebroken, met een zwaar hoofd wakker geworden. Vandaag ging het erom spannen. Werden we voor maanden opgesloten of kregen wij, Nederlanders, nog enige bewegingsvrijheid?

Ik smeerde twee beschuitjes en wachtte tot het theewater kookte. Ik keek naar buiten. De lucht was staalblauw: geen wolk geen vliegtuigstreep aan de hemel. Het schone ochtendlicht scheen op de grote magnolia in de binnentuin. De oude boom was een maand te vroeg gaan bloeien.

-Jij maakt ook wat mee- dacht ik.

Ik las de nieuwsberichten. De doden, de opnames op de IC, de wanhoop, maar vooral ook de ergernis over het gedrag van duizenden mensen het afgelopen weekend. Ondanks het voorschrift om afstand te houden tegen een besmetting waren mensen samengedromd in parken, bossen en op stranden. Klaarblijkelijk had de zin om van het eerste mooie weekend van 2020 te genieten het gewonnen van het inzicht dat een dodelijk virus ieders leven bedreigde. Deze nuchtere Nederlanders hadden voor zichzelf uitgemaakt dat het zo’n vaart nog niet zou lopen. Stel je voor dat deze mensen ervoor zouden zorgen dat het voor iedereen verboden werd om nog buiten te komen, behalve voor wat boodschappen?

Vier en twintig uur opgesloten zitten in je eentje, ’s ochtends, ’s middags, ’s avonds en ’ s nachts? Alsjeblieft, dat niet.

Hoe had ik zelf het weekend doorgebracht? 

Ik voelde me zo rusteloos; ik kon niet thuis blijven. De zon scheen, maar er stond een ijzige, straffe wind. Ik vatte het plan op om langs de Amstel te rijden met de auto, omdat ik de eerste lammetjes wilde zien. Langs het kronkelende water van landgoed WesterAmstel met zijn zeventiende-eeuwse buitenhuis en theekoepel, stonden bossen trompetnarcissen in bloei. Geen lammetje te bekennen. Misschien was het nog te vroeg. Ik reed langs een weiland waarin een groep schapen lui in het gras lagen. Opeens, op een weitje dat uit de wind lag, met knotwilgen aan de ene en een rijtje huizen aan de andere kant, zag ik ze: een hele groep moeders met hun vrolijke kroost. Ze sprongen en liepen langszij of in het kielzog van het moederschaap, dat het niet meer dan vanzelfsprekend vond dat ze in hun buurt bleven. Ze zagen er zo onschuldig uit, met hun lichte kroesvacht en hun verbaasde blik. Ze hadden werkelijk geen benul in wat voor een ramp de wereld terecht was gekomen.

Landen, die hun grenzen hadden gesloten, steden waar je niet meer naartoe kon, mensen, die binnen moesten zitten. En dan die beelden: de hoge bedden, ommuurd door apparaten met slangen, waarin bewegingloze lichamen in leven werden gehouden, door verplegers, die eruit zagen als astronauten van een andere planeet. Een half jaar geleden stonden deze mensen nog te demonstreren op het Malieveld om meer loon. Nu waren ze gepromoveerd tot cruciaal beroep. Wel applaus, maar nog altijd onderbetaald.

Ik passeerde café ‘ De zwarte kat’ dat er net zoals alle andere horeca, volkomen verlaten bij lag. Ik reed door totdat ik een bod zag waarop een fort werd aangekondigd: Fort aan de Drecht. Nooit van gehoord, maar uit de tijd van de Hollandse waterlinie, aan de rand van Uithoorn. Het was gesloten.

Ik dronk thee uit mijn thermosfles en genoot van de felle zon, zittend op een blok beton. Zo was het ook goed.

Om de grote drukte te vermijden besloot ik zondag om op begraafplaats Zorgvliet te gaan wandelen.

Daar was het vast rustig. Samen met een vriendin, bekeken we de graven. Het was wel een toepasselijke plek, gegeven de situatie. Af en toe kwamen we iemand tegen, meestal in gedachten bij degene wiens graf net was bezocht.

De volgende avond zat ik gespannen voor de televisie om te horen wat de regering voor me in petto had. Het leken wel een stel schoolmeesters, die een klas toespraken. Hoewel de meesten zich goed hadden gedragen, had toch een deel zich schuldig gemaakt aan kudde-gedrag en samenscholing.

Van af nu werd er gehandhaafd en bekeurd. Winkels kregen een deurbeleid opgelegd en de hele culturele sector werd voor een paar maanden platgelegd. Dit gold ook voor de sport. Toch haalde ik opgelucht adem. Ik kon nog naar buiten wanneer ik dat wilde.

Corona dagen.

Corona dagen.

Week 14

Op zoek naar een nieuwe lamp om bij te kunnen lezen. Daarom loop ik richting het centrum. Het is onverminderd mooi weer, maar wel koud. In de Ferdinand Bolstraat doet iedereen zijn best om elkaar te vermijden. Een jong stel met een kinderwagen drukt zichzelf tegen de pui van een gesloten telefoonwinkel. Een vriendelijke mijnheer stapt van de stoep af, terwijl hij mij groet. Toch zijn er ook mensen, voor wie ik wel doorschijnend lijk te zijn. Drie pubermeisjes, die stoepbreed lopend, met elkaar en met hun mobieltjes aan de praat zijn. Een man, die stug de lijn van zijn route doortrekt en mij zo dwingt om uit te wijken. Zo ontstaat een stilzwijgend sociaal spel: wie voor wie opzij gaat. Van een afstand inschatten of je kunt verwachten dat ieder een beetje uit zal wijken of dat je met een stugge doorloper te maken hebt. In dat laatste geval is het: doen of de ander lucht is en maar hopen dat ie opzij gaat.

Een ander probleem zijn de mensen, die je al lopend inhalen: soms lopen ze je rakelings voorbij en dat is niet prettig.

Ik steek de Albert Cuyp over, waar het aantal kramen is gehalveerd: de markt ziet er gehavend uit, net een gebit waarvan een aantal tanden missen. Of overdrijf ik nu?

In de Vijzelstraat zijn de winkels van hele huizenblokken gesloten. Allemaal hebben ze een verklarend A-4tje op de deur hangen: “ wegens Corona…” “ de overheid, Covid-19….” “ lieve mensen, tot spoedig….” “ bedankt, allemaal….”

De eigenaren en het personeel zitten werkeloos thuis, al dan niet in combinatie met partner en kinderen. Er zijn zorgen over huiselijk geweld en leerlingen, die achterop raken.

De enigen, die nog aan het werk lijken te zijn, zijn bouwvakkers en schilders. Een restaurant heeft de gelegenheid aangegrepen om te verbouwen. Bij een patisserie wordt geschilderd. Ook in de Vijzelstraat wordt gewerkt. De brug over de Prinsengracht ligt eruit. Een verkeersregelaar staat dagdromend op de vluchtheuvel. Verkeer om te regelen is er nauwelijks. Wel staan er een paar kerels te kijken naar het afzinken van delen van een damwand. Het werk aan de weg kan onder deze omstandigheden makkelijk gedaan worden. Dat is ook wat ik om me heen hoor: “ Ben aan het opruimen, klussen, administratie aan het doen.”

Bij Aurora, de lampenwinkel, ben ik de enige klant. Je komt niet verder dan de kassa, waarvoor een perspex plaat is geschroefd. De toegang tot de winkel is afgezet met een geel-zwart lint. Ik zeg wat ik nodig heb en deze bestelling wordt naar achter doorgegeven aan iemand anders. Even later krijg ik mijn leeslicht, samen met een betaalterminal door een opening in het perspex toegeschoven. Als ik wil, kan ik mijn handen nog desinfecteren en vertrekken.

Dit is mijn enige uitje van vandaag. Nog een stapel van negen ongelezen boeken te gaan.


Week 15.

De stilte waarin Corona zich hult is verraderlijk. 

Wereldwijd implodeert de economie, langzaam maar zeker, zoals een landende luchtballon. Arme mensen worden bedreigd in hun voortbestaan. Tegelijkertijd bevind ik me in een vacuüm. Ik loop over een pleintje, dat ik deel met een kraai, die in een bloeiende prunus zijn veren zit te poetsen. Verder, niemand.  Ik kijk  uit over lege wegen, geen trams, geen auto’s, geen bestelbusjes, geen scooters, geen fietsen, ja misschien een kind op een step. Geen gebel, getoeter of het geluid van optrekkend verkeer. Geen stemmen… ik deel de wereld met niemand meer, omdat ik me aan niemand erger, niemand iets aan mij vraagt, niemand iets van mij wil, niemand mij nodig heeft. De stilte heeft mijn leven geabsorbeerd.

Ik betrap me erop dat ik soms niet meer weet welke dag het is en dat ik moet nadenken over de datum. De uitdaging om zowel geestelijk als lichamelijk aan te blijven staan, wordt groter.

Doordat de lucht schoner is, slaap ik beter en dieper. Voor mijn ontbijt neem ik alle tijd en neem dan meteen de eerste lichting rampspoed tot me. Mijn benedenbuurvrouw, een verfent roeister, heeft me vertelt dat ze bij wijze van cardio-fitness in tien minuten vijftien keer de trap of en af rent. Ik doe dat ook en hang na vier keer buiten adem over de balustrade. Een uitdaging erbij.

Ik probeer dagelijks wat oefeningen te doen en samen met een uur wandelen en zo gezond mogelijk eten. Ik hoop dat het virus mij overslaat.

Overdag verdeel ik mijn tijd tussen wat tekenen, schrijven, oefenen op mijn blokfluit en lezen. De tijd hangt als een mist om me heen. Me ergens op concentreren helpt om de dag door te komen. De avonden zijn makkelijker. Met mijn kat naast me laat ik me meevoeren door wat ik aan interessants vind op de televisie en het internet. Ik neem me voor om te vasten van het nieuws, maar dat lukt niet. Ik voel verdriet over de planeet, over de mensheid. Zoals iedereen zou ik graag even in de toekomst willen kijken. Wat leren we hiervan? Veren we terug in onze oude manier van leven en geld verdienen? Zou de planeet niet beter af zijn zonder mensen? Hoe komen we deze crisis te boven? Wat zullen jongeren doen over een paar weken? Waarom kopen handelaren dollars op, terwijl Amerika als samenleving wankelt? Wie zullen winnen? Wie gaan eraan?

Ik probeer om me verbonden te blijven voelen met de mensen van wie ik familie ben en met mijn vrienden, maar dat wordt steeds moeilijker. Ik zie nog maar enkele van mijn vrienden. Mijn nicht en haar man willen geen fysiek contact met ons, ouderen. Wel bellen we of face-timen we regelmatig. Mijn broer stelt voor om elke dag even te video-whatsappen, maar laat vervolgens niets meer van zich horen. Als ik hem voorstel om contact te houden, zegt hij dat ik hem niet zo moet claimen. 

Sommige mensen, die ik ken, trekken zich volledig terug en sturen sporadisch een whatsappje met een mededeling over zichzelf. Ik snak naar iemand, die me belt en vraag hoe het met me gaat, maar zelf doe ik dat ook niet meer. Ik zal voorlopig moeten leren leven met de stilte.


Maandag 23 maart 2020

Onrustig en met een zwaar hoofd wakker geworden. Deze dag ging het erom spannen. Of we voor maanden thuis opgesloten zouden worden, een locked down, of dat er voor ons nog enige bewegingsvrijheid zou zijn.

Ik smeerde twee beschuitjes en wachtte tot het water kookte voor de thee. Ik keek naar buiten. De lucht was staalblauw. Geen wolk, geen vliegtuigstreep aan de hemel. Het schone ochtendlicht scheen op de grote magnolia van de binnentuin. De oude boom was een maand te vroeg in bloei gekomen. Jij maakt ook wat mee- dacht ik.

Ik bekeek de nieuwsberichten op mijn I-pad: de doden, de ziekenhuis-opnames, de wanhoop, maar vooral de ergernis over het gedrag van duizenden mensen, die ondanks het voorschrift om anderhalve meter afstand te houden, om te voorkomen dat het Corona-virus je zou besmetten, toch waren samengedromd in parken, bossen en op stranden.

Klaarblijkelijk had de zin om van het eerste mooie voorjaarsweekend te genieten het gewonnen van het inzicht dat een dodelijk virus je leven bedreigde. Deze nuchtere Nederlanders hadden voor zichzelf uitgemaakt dat het zo’n vaart nog niet zou lopen en waren op stap gegaan. Tot woede van Marc Rutte, minister-president, verschillende  burgemeesters en de politie. Tot frustratie van de mensen, die wel afstand hielden en sociale contacten zoveel mogelijk beperkten. Ik voelde me verontwaardigd. Stel je eens voor dat deze mensen ervoor zouden zorgen dat het iedereen verboden zou worden om nog buiten te komen, behalve voor de dagelijks boodschappen? Stel je voor dat ik vier en twintig uur per dag opgesloten zou komen te zitten in mijn eentje. ’s Ochtends, ’s middags, ’s avonds en ’s nachts, terwijl het voorjaar was? En wat voor een voorjaar. Alsjeblieft, dat niet. De zaterdag ervoor vatte ik het plan op om een tochtje in de auto te maken, omdat er een ijzige wind stond, terwijl de zon volop scheen. Ik voelde me zo rusteloos, ik kon eenvoudig niet thuis zijn.  Ik koos de weg langs de Amstel omdat ik de eerste lammetjes in de wei wilde zien. Ik stopte bij het landgoed WesterAmstel met zijn zeventiende eeuwse huis en park. Langs een kronkelend water stonden bossen trompetnarcissen te bloeien, maar geen lammetje te bekennen. Misschien was ik nog te vroeg. Ik reed door en passeerde een weiland met daarin een groepje lui liggende schapen. Geen lammetjes.


Op een weitje dat een beetje uit de wind lag, met knotwilgen aan de ene en een rijtje houten huizen aan de andere kant, zag ik ze: een hele groep moeders met hun vrolijke kroost. Ze sprongen en liepen langszij of in het kielzog van hun moeder, die het niet meer dan vanzelfsprekend vond dat ze in hun buurt bleven. Ze zagen er zo onschuldig uit, met hun lichte kroesvacht en hun verbaasde blik. Ze hadden werkelijk geen benul van de ramp waarin de wereld terecht was gekomen:

steden waar je niet meer naartoe kon, landen, die hun grenzen hadden gesloten , mensen, die niet meer naar buiten mochten. En dan de beelden uit de ziekenhuizen: de hoge bedden ommuurd door apparaten en slangen waarin bewegingloze lichamen in leven werden gehouden door  verpleegsters, die eruit zagen als astronauten van een andere planeet. Waar deze mensen in ons land nog geen half jaar geleden stonden te demonstreren op het Malieveld in Den Haag omdat ze meer loon eisten, waren ze nu gepromoveerd tot cruciaal beroep. Wel applaus, maar nog altijd onderbetaald.

Ik vervolgde mijn tocht en passeerde cafe de Zwarte Kat, dat zoals alle horeca er volkomen verlaten bij lag, langs Nes aan de Amstel, tot ik een bord las met daarop Fort aan de Drecht. Nooit van gehoord. Het fort uit de tijd van de Hollandse waterlinie, aan de rand van Uithoorn was gesloten. Ik dronk thee uit mijn thermosfles en genoot van de felle zon, zittend op een blok beton.. Zo was het ook goed.

Om de grote drukte te vermijden had ik Jaco, een vriendin, voorgesteld om de dag daarop, maar naar een industrie-terrein of de haven te gaan, maar daar wilde ze niets van weten. Het lag voor de hand dat het in het Beatrix-park of het Amsterdamse bos heel druk zou worden. Waar moesten de mensen anders heen nu alle terrassen en horeca-gelegenheden gesloten waren en je ook niet naar het museum kon? Ik kreeg een ingeving en zei dat we maar het beste naar begraafplaats Zorgvliet konden gaan. Daar was het vast rustig en achter het kantoortje stonden eikenhouten banken en zat je uit de wind. Zo gezegd, zo gedaan. Terwijl we liepen, bekeken we de verschillende graven. 

 Het was een toepasselijke plek om te zijn, gezien de situatie. We zagen een graf met een klapbord om filmscenes te draaien, een graf met een portret geschilderd door Peter Donkesloot, een graf met de drie woorden: aan; uit; aan…graven als een volkstuintje, graven van vergeten beroemdheden, familiegraven met grote dekstenen maar ook een naam gekerfd in een kei. Nadat we een paar maal op bankjes in de zon hadden gezeten en warme thee hadden gedronken, wees ik Jaco het graf van mijn ouders aan. Af en toe liep er iemand voorbij, meestal met zijn gedachten bij de overledene, die net was bezocht. Ik vertelde haar over de vlinder op de grafsteen, omdat mijn moeder ook wel

 ‘ tante vlindertje’ werd genoemd. Eenmaal thuis overviel me weer de onbestemdheid van het alleen zijn. Ik zette de televisie aan en vermaakte me met de humor van Arjan Lubach.

Ook hij had zich ge-ergerd aan het a-sociale gedrag van mensen en toonde opnames van de domme smoezen, die mensen gebruikten om toch naar een veel te drukke markt te gaan of samen te sporten in het park.

De regering zou gaan beraadslagen met deskundigen. Daar kon weinig goeds uit voortkomen.


Maandag 23 maart.

Ik besloot om een wandeling te gaan maken en aarzelde tussen Schaep en Burgh in ‘Graveland of een rondje Ankeveense plassen. Ik verwachtte nogal wat mensen op het smalle fietspad aan het einde van de route. Eenmaal rijdend op de Provinciale weg richting Hilversum hoefde ik de weg maar met weinig anderen te delen. Het parkeer- terrein bij de kerk was zo goed als leeg en in Ankeveen hing een bedachtzame stilte. Ik liep naar de Dammerkade, kwam langs een paar huizen met een vrouw, die haar auto stond te wassen en liep de grasdijk op. Die was volkomen leeg, geen mens te zien. Ik voelde een diepe tevredenheid: blijkbaar had ik de juiste route gekozen. Links en rechts lagen de plassen met de kerktoren van Nederhorst Den Berg in de verte. Er woei een harde pepermuntfrisse wind, het gras was niet droog, maar ook niet te drassig, kortom ideale omstandigheden.. omdat ik ’s middags nog met een paar vrienden zou wandelen door het Amstelpark, nam ik de korte route, die langs een beek liep, omzoomd met eerbiedwaardige bomen, die behalve hun takken in de lucht, lange schaduwen op de aarde hadden.

Vol spanning zat ik om half zeven voor de televisie om te horen wat de regering voor ons in petto had. Tussen de minister-president, Marc Rutte en de minister van volksgezondheid stond een gebarentolk. Het leken wel een stel onderwijzers, die een klas met kinderen toespraken. De meesten van ons hadden zich goed gedragen, maar omdat een deel zich toch schuldig had gemaakt aan het eropuit trekken naar park, bos en strand, werden samenscholingen verboden en gehandhaafd. Wie geen 1,5 meter uit elkaar stond kreeg een bekeuring en je mocht maar drie mensen een groepje hebben. Winkels kregen een deurbeleid opgelegd en de hele culturele sector werd platgelegd tot 1 juni. Dit gold ook voor de sport. Samenkomsten werden verboden. Toch haalde ik nog opgelucht adem. Naar buiten gaan mocht tenminste nog. Ik kon nog naar mijn boot en tuin in Vinkeveen.

Dat deed ik ook de volgende dag. Ook daar trof ik een in zichzelf gekeerde wereld. Geluiden werden geabsorbeerd door de stilte, die over het water hing. Over het pad, dat langs mijn tuin loopt liepen mensen rusting langs. Geen harde stemmen, gelach of telefoons, die  rinkelden. Ik maaide het gras voor de eerste keer in het seizoen en werkte kale plekken bij door graszaaduit te strooien. Na vier uur begon het fris te worden en pakte ik rustig in. Nog negen weken weken te gaan voordat we weer konden leven zoals we dat gewend waren.

De grote culturele instellingen waren begonnen met het streamen van hun voorstellingen. Na het eten keek ik naar een stream van het ITA, (International theatre Amsterdam) die begonnen was aan het overstralen van de Decamerone, om daarna over te schakelen op de Orfeo van Monteverdi door de Reisopera. Ongelooflijk, die artiesten. Ze zongen en dansten gelijktijdig. En nu zaten ze thuis op een houtje te bijten. Daarna keek ik naar Jeroen krabbe over het leven van Marc Chagall en zijn worsteling met het bestaan als kunstenaar en joodse tweederangsburger.

Ik dacht aan mijn ouders, die ondergedoken waren geweest in de oorlog. Ook voor hen bestond het leven waaraan ze gewend waren en met een toekomst als jonge volwassenen voor zich, opeens niet meer. Zij waren al hun rechten kwijt, wisten niets over hoe het met hun familie en vrienden was en wisten niet of ze wel genoeg te eten zouden hebben. En hoe hadden ze kunnen leven zonder internet?

Het kon allemaal dus nog veel en veel erger. Ook nu; wat als je vluchteling was in een tentje op Kos of Samos of in een Indiaase sloppenwijk woonde? Hoezeer ik mijn vrienden en mijn familie ook miste en ook alle andere dingen, die ik normaal gesproken deed, musiceren, sporten, mijn achterneefje van school halen, de situatie was vreemd, maar het moest te doen zijn. Ik had niks te klagen. Toch?

 

Woensdag 25 maart.

Omdat ik vroeg wakker werd besloot ik naar het overdekte winkelcentrum van het Gelderlandplein te gaan: dan hoefde ik tenminste niet buiten te wachten. Ik werd ontvangen door een jongeman achter een tafeltje met ontsmettingsmiddelen en speciale muntjes om in je winkelwagentje te doen. Contant geld kon je maar beter niet aanraken. Er waren zo weinig mensen in de winkel: niemand boog over je heen of griste voor je langs iets uit een schap. Niemand blokkeerde met zijn winkelwagen het looppad en behalve w.c. papier was het meeste verkrijgbaar. Ik deed voor een idioot bedrag boodschappen en vertrok om de rest van de dag door te brengen op mijn balkon in de zon, met uitzicht op de magnolia.

 

 

Het zijn geschreven gevoelsimpressies en observaties. Het dempte voor mij de heftigheid van wat er aan de hand is. Door te schrijven kreeg ik mijn angsten onder controle en kon ik ook zien hoe bijzonder de situatie is.

Marguerite Berreklouw

door Marguerite Berreklouw


Onze
partners

met dank aan: Gemeente Amsterdam West