Filteren

Wis alle filters

Op onderwerp

Op medium

tekst

Vroeger

‘Vroeger, voor de oorlog.’ Het is een uitdrukking die mijn ouders en grootouders gebruikten. Ze gaven ermee aan dat iets vroeger slechter was, of juist beter. De oorlog was in ieder geval een ijkpunt, een waterscheiding die door heel veel mensenlevens liep. En zoals veel mensen van mijn generatie, en nog meer van de generaties na mij, haalde ik er vaak mijn schouders bij op. ‘Het zal wel’, zei ik dan bij mezelf. Ik had de oorlog niet meegemaakt, en miste dat vergelijkend vermogen tussen toen en nu.

Tot dit jaar. Binnen een paar weken veranderde onze samenleving. En in die korte tijd merkte ik hoezeer ook ikzelf veranderde. In het begin was ik nog een schamperende toeschouwer; corona was iets voor Brabant. Dat veranderde echter snel. Vroeger is de tijd van vóór het virus, toen we elkaar nog een hand gaven, omhelsden en zoenden. Toen we gewoon een verjaardag vierden met familie en vrienden. Nu wil ik mijn huis niet meer uit, al komen de muren op me af. Ik ga alleen nog naar buiten wanneer het niet anders kan; noodgedwongen een paar keer per dag om de hond uit te laten, en ik merk dat ik me dan erger aan al die andere mensen die dan óók net buiten zijn. Ik gun ze, diep van binnen, die wandeling niet. Heeft de regering ons niet aangeraden om binnen te blijven? Doe dat dan! Natuurlijk, ze hebben evenveel recht als ik op die frisse neus, en zij hebben waarschijnlijk dezelfde gedachten over mij.

Boodschappen doen is onontkoombaar, dus is het zaak om meteen voor een week zaken in huis te halen, met het risico dat ik voor hamsteraar word aangezien. Mijn inkopen thuis laten bezorgen is natuurlijk ook een optie, maar ik heb me aangepraat dat het toch beter is om het zelf te doen. Zo kan ik nog dingen meenemen die niet op mijn lijstje staan, en het is toch weer een legitiem uitje. Het is trouwens bijzonder om vast te stellen hoe weinig aandacht ik voorheen besteedde aan zaken om me heen. Nooit heb ik nagedacht over iets banaals als een deurkruk, liftknopje, winkelmandje of -karretje. Nu bekijk ik het mij aangegeven boodschappenwagentje – zelf pakken mag niet meer en mandjes zijn helemaal uit den boze – met argwaan. Wie heeft hier voor mij mee rondgereden? Is het handvat wel echt ontsmet? Ik sluit mijn handen bijna met weerzin om de stang, ook al gebruik ik sinds kort van die dunne latex handschoenen. En eenmaal in de supermarkt stoor ik me aan de mensen die niet doorlopen, geen anderhalve meter afstand houden, het gangpad vanaf de andere kant in komen lopen, of tóch met z’n tweeën inkopen doen. Ik begrijp hoe iemand PTSS kan oplopen; mijn waarschuwingssystemen staan continu in overdrive, dat kan niet goed zijn.

Dat zit dus allemaal in mijn kop. Maar wat gebeurt er om me heen? Heb ik zicht op de rest van Amsterdam? Op Nederland? Op de wereld? Ik hoor de cijfers, zoveel doden, zoveel miljard staatssteun, zoveel procent minder luchtvervuiling. Ik zie de foto’s, rijen anonieme lijkkisten in New York, krijsende groepen apen, ik weet niet eens meer waar, die verhongeren omdat de toeristen wegblijven, kristalhelder water in de kanalen van Venetië, wilde dieren in de centra van grote steden. Maar ik ruik ineens ook weer planten: het is lente en overal springen bloemknoppen open. Terwijl ik dit schrijf vallen me twee dingen op: er zingt een merel in de straat en er is geen
verkeerslawaai. Ik kan mezelf nu gelukkig prijzen, want de wereld gaat de goede kant op.

En dan denk ik aan de mensen in de ziekenhuizen die vechten tegen de aanvallen van deze onzichtbare vijand. Ook hun foto’s kom ik tegen: door vermoeidheid diep gegroefde gezichten, de angst voor hun eigen leven negerend. Zij kennen deze vijand als geen ander, zijn er vaak zelf mee besmet en sterven er soms aan. Toch gaan ze door, weigerend zich gewonnen te geven. De schoonmakers, buschauffeurs, postbezorgers, politieagenten, vakkenvullers in de supermarkt, brandweerlieden: allemaal gaan ze door met hun werk, vaak nog anoniemer dan de mensen uit de
ziekenhuizen.

In de supermarkten keken we – zeker vlak nadat duidelijk werd dat er iets meer aan de hand was dan alleen een griepje – tegen lege schappen aan. Ook iets dat ik alleen kende uit de verhalen van de generaties voor me, en al snel circuleerden er foto’s en filmpjes op de sociale media, met grappen over wc-papier. Want vooral dat werd gehamsterd. En sinds die tijd zit ik met de onbeantwoorde vraag: WAAROM? Waarom hamstert men overal ter wereld wc-papier? Het gaat nu wel weer, de winkels zijn weer goed gevuld, al kan ik nog steeds geen meel kopen.

De eerste protesten tegen de strenge maatregelen zijn er uiteraard ook al. Schandalig, zo vindt men, dat we maar opgesloten moeten zitten. Afschuwelijk, dat cafés niet open mogen, Onvoorstelbaar dat de basisscholen pas nu opengaan. Misdadig, dat de basisscholen nu al opengaan. Und so weiter, und so fort, om maar eens een goed Nederlandse uitdrukking te gebruiken. En eigenlijk valt het hier allemaal wel mee. We mochten tenminste al die tijd naar buiten, dat is in andere Europese landen wel anders geweest. En er zijn in de wereld landen waar de
gezondheidszorg een stuk slechter is dan in Nederland. Zelfs binnen Nederland kan je het slechter treffen dan in Amsterdam. Ik herinner me de krantenkoppen toen ziekenhuisvestigingen in de provincie sloten, en ambulances ineens veel langer onderweg waren. Wat dat betreft mogen we ons in Amsterdam gelukkig prijzen.

Ik heb ook het idee dat we goed geïnformeerd worden. Onze maatschappij is open; hier wordt het virus niet gebagatelliseerd, of zelfs ontkend. In sommige landen is het dan ook nog slecht gesteld met de vrije nieuwsgaring, waardoor we maar mondjesmaat horen over de situatie ter plaatse. Rusland begint, na wekenlang ontkennen, schoorvoetend toe te geven dat ook daar corona wild om zich heen slaat. In Jemen heeft het virus zelfs de burgeroorlog stilgelegd. In de Verenigde Staten lijkt corona voor velen uit te lopen op een grote ramp. Ook al zouden ze niet ziek  worden, ongekende aantallen mensen zijn hun baan kwijtgeraakt, en daarmee hun inkomsten. Ik weet niet hoe dat af zal lopen, maar ik vrees dat het erger zal zijn dan tijdens de bankencrisis, ook al omdat de ziekte geen onderscheid maakt tussen arm of rijk, man of vrouw.

Wij kunnen gelukkig terugvallen op ons sociaal vangnet. De vaak bureaucratische en starre regels zijn aangepast en versoepeld om nood te lenigen. Afrekenen en uitzoeken komt later wel. IT-bedrijven helpen met het digitaliseren van lesmateriaal, nu scholen gesloten blijven. Kantoren worden uitgekleed om medewerkers aan monitoren te helpen, om beter thuis te kunnen werken. Juist nu blijkt onze samenleving veerkracht te hebben, waardoor we in staat zijn om verder te gaan. O ja, ook hier zijn sectoren die roepen ‘En wij dan?”, maar ik heb niet het idee dat sommigen willens en wetens worden buitengesloten. Al raakt corona ons soms als individu, onze maatschappij buigt, veert mee, en past zich aan de nieuwe situatie aan. Talloze initiatieven ontstaan, bedrijven die productie zien teruglopen of wegvallen, schakelen over op de vervaardiging van noodzakelijke dingen, zoals mondkapjes. Supermarkten laten senioren winkelen op speciale tijdstippen, zonder ander publiek.

Toch zijn er ook verontrustende ontwikkelingen. Juist nu blijkt hoe groot de impact van sociale media is. Geruchten en fake news verspreiden zich nog sneller dan het virus zelf. Ook in Nederland staan ineens zendmasten in brand, omdat iemand denkt dat ze corona helpen verspreiden. En de regering denkt na over apps die inzicht geven in de verspreiding van het virus. Dan blijkt een land als China toch makkelijker te besturen, omdat het gebruik van apps die vastleggen wanneer je waar geweest bent, eenvoudig op te leggen zijn. Als je in contact geweest bent met iemand die corona heeft, kleurt je telefoonscherm rood, en mag je de deur niet uit. In Nederland wordt meteen gekeken in hoeverre dit ieders privacy aantast. Ik ben blij dat ik de beslissing hierover niet hoef te nemen: de afweging tussen het gebruik van slimme manieren om dragers van het virus te lokaliseren en inbreuk op iemands privéleven is een moeilijke. Misschien moet het, maar voor hoelang? En, wanneer het eenmaal gebruikt is, kan de overheid het dan een volgende keer makkelijker inzetten?

Dat onderwerp, controle op een samenleving versus individuele vrijheid, maakte voor mij de link met de Tweede Wereldoorlog plots heel duidelijk. Was dat oneigenlijke gebruik van de gegevens uit het bevolkingsregister niet juist de aanleiding om het in brand te steken? En was het niet daarom dat de brandweer met volle overgave overvloedig mis heeft gespoten bij het blussen? Ik heb, lang geleden, in een tijd dat de digitalisering nog moest beginnen, zelf in het bevolkingsregister gewerkt. Die grote zaal, met honderdduizenden persoonskaarten, waar mensen uittreksels kwamen halen voor de meest uiteenlopende zaken. Die uittreksels werden met de hand geschreven, met de gegevens van die kaarten. Ik heb er wel eens persoonskaarten met zwartgeblakerde randjes in mijn handen gehad.

In deze tijd is het vernietigen van dergelijke gegevens veel moeilijker geworden. Ook het gebruik van onze gegevens is onzichtbaar, en voor een burger niet te controleren. Het is aan de staat om dat goed te beveiligen, en aan het parlement om toe te zien dat die beveiliging ook correct wordt toegepast. En dan mogen we hopen dat onze gegevens niet door een cyberaanval in verkeerde handen vallen.

Corona heeft de wereld veranderd. Voorgoed, zeggen sommigen, maar dat kan ik niet beoordelen. De komende jaren zullen we echter nog wel in de ‘anderhalvemetermaatschappij’ leven. En dat heeft ons wel veranderd. Voor een korte tijd lege schappen, nu nog lege kroegen, restaurants, theaters, musea. Wanneer we later aan deze crisis terugdenken, halen we onze schouders niet op: deze periode zal ons voor altijd bijblijven. ‘Vroeger, vóór corona’: misschien wordt dat wel een uitdrukking die wij nog lang zullen gebruiken.

door Hans Wiersum


Onze
partners

met dank aan: Gemeente Amsterdam West